Biobrandstof: Wie laatst lacht, lacht best?
Na een korte studie van de markt van biobrandstoffen, blijkt dat er twee groepen domineren. De eerste is ethanol, gemaakt van suiker, graan of mais. De tweede wordt biodiesel genoemd, hier gaat het over plantaardige vetten die in een emulsie worden verwerkt.
Historisch is ethanol al eerder gebruikt als brandstof, maar de schaalvegroting die deze industrie de laatst jaren heeft gezien, is ongeevenaard. Het gebruik van plantaardige vetten als brandstof was altijd als theoretische mogelijkheid gekend.
De groei van de markt voor beide producten is het resulaat van staatsinterventie. Hier spelen de Verenigde Staten, Brazilie en de Unie elk hun rol.
1. Brazilie heeft al een oude industrie, opgezet in 1975 met het Pró-Álcool plan van generaal Ernesto Geisel als antwoord op de oliecrisis van 1973. Ethanol gemaakt van suikerriet werd sindsdien gebruikt als brandstof. Het gaf het land enige mate van onafhankelijkheid, en voorzag werkgelegenheid. Toen de prijzen van de fossiele terug daalde, verminderde de rentabiliteit en bijvoorbeeld de bouw van aangepaste motors voor wagens, werd afgebouwd van 76% tot 0.1% . Sinds de recente crisis is deze industrie echter heropgeleefd, en nam het het aureaal suikergewas terug sterk toe. Een deel van de ethanolproductie wordt nu ook geexporteerd naar de Unie en de Staten, waar enerzijds de klassieke import tarieven op betaald worden, maar anderzijds, sinds kort, verschillende subsidies in de wacht te slepen zijn.
2. In de Verenigde Staten is het verhaal begonnen in Iowa, waar men alternatieve toepassingen zocht voor mais overschotten. Ethanol als brandstof leek naar Braziliaans voorbeeld het beste alternatief, en al snel was er een lokaal distributienet voor mengsels. Naargelang locale productie en martprijs, kon er meer of minder mais verwerkt worden. Dit heeft een temperende werking op de schommelingen van aanbod. Door de jaren bleef Iowa een van de grootste exporteurs van graangewassen. Een deel werd verkocht aan ontwikkelingslanden die zelf een voedseltekort hadden, zoals bijvoorbeeld Egypte, een deel werd verhandeld als veevoer. De vleesexport van de Staten groeide dan ook gestaag, en een overaanbod van voedergewassen kon op de lokale markt voorkomen worden.
De laatste jaren zijn er echter verschillende nieuwe subsidies en toelages bijgekomen. Vroeger werden deze alleen betaald door een locale semi-gouvernementele vakorganisatie, het ICPB, tegenwoordig worden er ook door de federale overheid uitgekeerd. Dit heeft op enkele jaren tijd tot een explosieve toename van ethanol raffinage geleid, en een toename in de mais aanplant, waarbij andere gewassen moesten inbinden. Ondanks deze toename, blijkt de gegroeide vraag zodanig groot dat er een articifieel tekort is ontstaan, en niet enkel op de lokale markt. Daar de export van Amerikaans graan hierdoor, op enkele jaren tijd sterk, is verminderd, namen de prijzen op de wereldmarkten sterk toe.
3. In de Unie was er tot enkele jaren terug weinig sprake van biobrandstof. Europa is dan ook al jarenlang een importeur van plantaardige gewassen. Sinds enkele jaren zijn er vanuit Europees niveau enklele nieuwe subsidies toegekend. Enerzijds voor de productie van ethanol, anderzijds voor biodiesel. Voor de ethanol productie word de wereld graanmarkt aangesproken, voor biodiesel plantaardige olies.
Door deze verschillende ontwikkelingen is de voedselmarkt de laatst jaren drastisch veranderd. Het totale aureaal cultiveerbaar gebied is amper toegenomen maar een significant deel wordt nu aangewend voor de productie van brandstof. Daar het hypothetisch overschot van suiker, zetmeel en plantaardige olie wordt weggewerkt, is een goede prijs voor de producent gegarandeerd. De laatste jaren, vooral sinds 2003-04, zijn getekend door een inflatie van de landbouwprijzen, en het slinken van de reserves.
De verwerkte producten zijn ook de organische basisimputs van onze voedselpiramide. De meeste afgeleide producten zoals deeg, melk of vlees zijn hierdoor duurder geworden. Door de relatieve verschuiving in aanplant is er ook een kleiner aanbod van andere gewassen, zoals rijst of soja. De volledige fallout op aanbod en prijzen is echter moeilijk te omlijnen, zeker zonder exacte gegevens.
Wat wel zeker is, is dat er een markante aanbouw van verwerkingcapaciteit in uitvoering is, vooral voor de prodcutie van ethanol. Deze zou de prijzen nog meer de hoogte in jagen. Het lijkt ook duidelijk dat de verschillende poltieke spelers nog niet van plan zijn om de subsidies af te schaffen. Zolang deze niet voldoende tegenwind vangen is er weinig motivering om het beleid te veranderen. Er is namelijk sprake van grote investeringen. Mochten bijvoorbeeld de subsidies plots afgeschaft worden, zou de markt kampen met sterke overproductie en grote verliezen.
De hoge prijzen daarentegen, plaatsen veel importeurs, alsook de kleine consument, in een lastige positie.
1. De importeurs van landbouwgewassen kunnen in twee groepen verdeeld worden. Enderzijds zijn er diegenen die importeren om de gewassen te gebruiken om producten met toegevoegde waarde te creeren. Zij kunnen de hogere kosten gemakkelijk doorrekenen. De meeste bedrijven in deze sector hebben het laatste jaar zelfs de beste cijfers kunnen voorleggen. Anderzijds zijn er de landen die importeren om hun bevolking te voeden. Zij hebben het moeilijk om genoeg buitenlands diviezen te verdienen om deze meerkost te dekken.
2. De consument wordt geraakt in de mate dat hij relatief meer of minder uitgeeft aan voedsel. De arme, die altijd een relatief groter deel van zijn inkomsten uitgeeft aan voedsel, wordt dan ook het hardste geraakt door deze constructie. De rijke, die een relatief klein deel uitgeeft aan voeding, blijft voor het grootste deel van deze inflationaire druk gespaard. Zeker als men over kapitaal beschikt, dan kan men er zelfs munt uit slaan door te investeren in de verwerkings- en distributie bedrijven. Deze kunnen namelijk met het grootst deel van de artifiliciele rents gaan lopen, daar zij de beste handelspositie hebben.
Op de vraag of biobrandstof een zinvol deel van het energiebeleid is, kan men slechts een genuanceerd antwoord geven. Fysisch lijkt het waanzin, volgens vele onderzoekers vereist het namelijk meer energie (transport, meststoffen, etc) om het product te aan te maken, dan het opleverd. Economisch is er echter wel een pragmatische antwoord. Daar de meeste energieexporteurs ook voedselimporteurs zijn, wordt de handelspositie ten op zichte van deze groep verbeterd, wat kan vertaald worden in een positieve bijdrage tot het energiebeleid.
Voor een goede opvolging van de situatie zijn er diverse onderwerpen die men in de gaten moet houden. Natuurlijk is er de evolutie in het subsidiebeleid dat een centrale rol zal spelen, zoveel is duidelijk. Ook de situatie in het Midden Oosten telt mee, als er namelijk een relatieve rust zou terugkeren, zou de prijs van de olie dalen door productietoename, wat de rentabiliteit van de ethanol in het gedrang zou brengen, alle subisidies ten spijt. Een laatste element dat niet overkeken mag worden is de sociale onstabiliteit die het gevolg is van de hoge voedsel prijzen. Deze situatie heeft al in verschillende landen geleid tot confrontaties tussen de overheid en de bevolking. Het evenwicht tussen winst en hongersnood zal maar moeilijk gevonden worden, zeker daar het niet de naties die bang zijn voor deze onstabiliteit zijn, die baat halen uit de sitiuatie.